De (on)zin van premiedifferentiatie

De verzekeringsbranche is gebouwd op de fundamenten van de actuariële en juridische disciplines. Disciplines die getraind zijn in het terug kijken in het verleden. Maar behaalde resultaten in het verleden bieden geen garanties voor de toekomst. Zo luidt toch het motto dat door de sector zelf is uitgevonden?

En toch ligt het verleden aan de basis van de steeds verder gaande premiedifferentiatie, die overigens een averechts effect lijkt te hebben. Onder druk van de premiedifferentiatie komen wij uit een periode van krimp (lagere gemiddelde premies) en verslechterende resultaten. Ook zijn er praktijk cases bekend waarbij data driven re-underwriting geresulteerd heeft in een halvering van de omzet én blijvend slechte resultaten. Daarnaast ondermijnt premiedifferentiatie de solidariteit in Nederland.

Meer factoren, meer onzekerheid

Door de steeds verder gaande premiedifferentiatie neemt het aantal premiebepalende factoren toe. Daarmee stijgt ook de kans dat de uitkomst niet aansluit bij de (actuariële) verwachtingen.

De gemiddelde schadefrequentie bij Woonhuisverzekeringen bedraagt 10% (Verbond van Verzekeraars, Verzekerd van Cijfers, exclusief volmachttekening, 2015). In dezelfde periode ligt de schadefrequentie binnen een aantal individueel representatieve portefeuilles geanalyseerd door KoKo Kroup tussen de 9% en 11%. Een afwijking van 10% bij een variabele lijkt ‘gewoon’ en acceptabel.

Maar stel dat binnen het actuariële model meer dan één risicofactor gehanteerd wordt voor het inschatten van de schadefrequentie ? De formule 1 x 1 x 1 x 1 tot in het oneindige kent nog altijd als eindwaarde 1. Maar als wij bij iedere variabele met een afwijking van 10% rekening houden en het actuariële model kent slechts 10 (risico) variabelen? Dan ligt de uitkomst in het uiterste geval tussen de 0,35 en 2,59. 

Indien het aantal factoren en/of de onzekerheidsmarge groter is, dan neemt de kans toe dat de verwachte uitkomst – vaak achteraf niet of moeilijk te verklaren – flink afwijkt van de uiteindelijke waarheid.  En zo wordt de blackbox van de verzekeraar een blackbox voor de verzekeraar.

Wij organiseren solidariteit en maken risico’s beheersbaar, aldus de Gedragscode van Verzekeraars aangesloten bij het Verbond van Verzekeraars. Waar gaat het dan mis? Hebben verzekeraars nog wel voldoende verstand van verzekeren?

Premiedifferentiatie: alleen indien de verzekeringnemer de differentiatie zelf kan beïnvloeden.

Door de ontwikkelingen rond big data krijgen verzekeraars steeds meer mogelijkheden om de premies van een verzekering af te stemmen op het daadwerkelijke risico. Tot zo ver de theorie, want deze stelling gaat er vanuit dat het risico gedifferentieerd kan worden op basis van objectief meetbare criteria die voldoende voorspellende waarde bieden. Uit de analyse van schaden blijkt bijvoorbeeld dat alleen premiedifferentiatie op basis van factoren die de verzekeringnemer zelf kan beïnvloeden en/of gerelateerd zijn aan zijn of haar gedrag zinvol is. 

Ook de verzekeringnemer denk er zo over. De Vereende heeft  onderzoek laten uitvoeren door het onderzoeksbureau MWM2. Conclusie is dat Nederlanders solidair willen zijn. Wel is er verschil in solidariteit; de solidariteit is afhankelijk van of de verzekerde wel of niet iets aan dat hogere risico kan doen. Bij ‘eigen schuld’ is de bereidheid tot solidariteit beduidend lager. Deze ‘wijsheid van de massa’ zouden klantgerichte verzekeraars kunnen adopteren en het aantal criteria beperken tot gedragsvariabelen die de verzekeringsnemer ook zelf kan beïnvloeden.

Amsterdam, 26 september 2019

Print Friendly, PDF & Email